Zoals u misschien al elders op deze website heeft gelezen is de homeopathische geneeswijze veel ouder dan menigeen denkt. Wanneer we de ontwikkeling van de homeopathie willen beschrijven moeten we beginnen we in de tijd van de oude Grieken.
 

Hippocrates

De vader van onze Westerse geneeskunde, de Griekse arts Hippocrates, schreef al vóór onze jaartelling - hij leefde van 460 tot 377 voor Christus - over twee geneesmethoden: "Ziekte ontstaat door invloeden die op een soortgelijke wijze werken als de geneesmiddelen, en de ziektetoestand wordt opgeheven door middelen die gelijksoortige verschijnselen opwekken." Hippocrates maakte duidelijk onderscheid tussen het genezen van de bezwaren (met tegengestelde middelen) en het genezen van de totale ziektetoestand (met gelijksoortige middelen).

In de Romeinse tijd en vroege Middeleeuwen raakt de homeopathische geneesmethode van Hippocrates weer in de vergetelheid.

      Hippocrates had een praktijk en artsenschool op zijn geboorte-eiland Kos, waar hij zijn leerlingen een hoge beroepsmoraal bijbracht. Hij ontwierp een plechtige artseneed die al zijn leerlingen af moesten leggen. Deze Eed van Hippocrates wordt nog steeds door artsen bij hun afstuderen afgelegd. Een verzameling van zo'n 70 geschriften met medische onderwerpen is vernoemd naar Hippocrates: het Corpus Hippocraticum. Ze zijn niet allemaal door hem zelf geschreven, maar  bevatten wel zijn ideeën over en benadering van de medische wetenschap. De Aforismen en de Eed van Hippocrates maken deel uit van deze serie werken.

 

Paracelsus (1493 - 1541)
 

    

Theophrastus von Hohenheim, oftewel Paracelsus

In de late Middeleeuwen ontwikkelde de arts en alchemist Paracelsus een heel eigen visie op de geneeskunde. Paracelsus zag ziekte als een tekortschieten van de levenskracht. Hij noemde deze levenskracht de “archaeus”, dàt wat bij ziekte de vorm herstelt. Deze archaeus vind je in ieder onderdeel van de natuur en van de kosmos terug. Omdat de mens volgens Paracelsus alle vormen van de natuur in zich heeft, kan de arts de falende archaeus van de zieke mens met behulp van de archaeus van deze natuur weer herstellen. Ieder ziek orgaan heeft zijn eigen korresponderende geneesmiddel in de natuur. Welke archaeus nodig is, wordt volgens Paracelsus aangegeven door de uiterlijke kenmerken en eigenschappen van het geneesmiddel.

 

Samuel Hahnemann

In de achttiende eeuw werd deze geneeswijze door de Duitse arts en scheikundige Samuel Hahnemann als het ware opnieuw ontdekt. Hij gebruikte voor het eerst het woord "homeopathie" hiervoor, afgeleid van de Griekse woorden homoios (gelijksoortig) en pathos (lijden).

Samuel Hahnemann was degene die duidelijk vorm gaf aan een systematische homeopathische geneesmethode. Daarom wordt Hahnemann beschouwd als de grondlegger van de homeopathie. Hahnemann is geboren op 10 april 1755 in het Duitse plaatsje Meissen. Zijn grootste verdienste was natuurlijk in de eerste plaats de ontdekking van het similiaprincipe. Vervolgens ging hij door en bracht de homeopathische geneeskunst door uitgebreide onderzoekingen en wetenschappelijke onderbouwing tot ontwikkeling. Vele middelen werden door Hahnemann “getest” op gezonde mensen. Hij bestudeerde de uitwerking en beschreef deze nauwkeurig en systematisch waardoor de eerste Materia Medica met de geneesmiddelenbeelden en het eerste Repertorium ontstonden. Daarnaast zette hij een logische theoretische onderbouwing neer in zijn standaardwerken “Organon der Geneeskunst” en “De Chronische Ziekten”.

   Samuel Hahnemann (1755 - 1843)

 

Repertorium en Materia Medica

Geneesmiddelbeelden vormen nog altijd een belangrijk onderdeel van de huidige homeopathie. Het werk van Hahnemann is later door anderen voortgezet waardoor de kennis van deze geneeswijze werd, en nog steeds wordt, aangevuld en uitgebreid. Wereldwijd wordt tegenwoordig alle informatie gebundeld. Het Repertorium en de Materia Medica zijn nog steeds de belangrijkste gereedschappen voor iedere homeopaat. Het Repertorium is een enorme database waarin alle symptomen en klachten systematisch zijn ondergebracht in hoofdstukken volgens het hoofd-voeten schema, inklusief een uitgebreid hoofdstuk over mentale en emotionele symptomen. Achter deze "rubrieken" staan de homeopathische middelen die in de praktijk hebben bewezen deze klachten te kunnen verhelpen. In de Materia Medica staan de homeopathische geneesmiddelen en hun werking per middel zeer volledig en nauwkeurig beschreven. Deze beide werken zijn universeel en worden overal ter wereld door homeopaten gebruikt.
 

200 jaar homeopathie

Na de ontwikkelingsfase van de homeopathie in de eerste helft van de negentiende eeuw komt de homeopathie in de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer in de belangstelling te staan en bouwen homeopaten als Clemens von Bönninghausen, Constantine Hering en James Tyler Kent voort aan Materia Medica en theoretische onderbouwing van de homeopathie. Vooral in Amerika heeft de homeopathie een grote ontwikkeling doorgemaakt.

Rond 1920 komt er een kentering en raakt de homeopathie steeds minder in zwang.

Door een landelijke evaluatie van medische opleidingen in Amerika worden homeopathische opleidingsinstituten lager gewaardeerd, omdat zij minder aandacht gaven aan de reguliere medische ondergrond, en meer aan de homeopathisch-filosofische beginselen. Als reaktie daarop gaven de homeopathische opleidingen, om ook hoge landelijke waarderingscijfers te krijgen, eveneens meer aandacht aan de reguliere medische vakken, wat ten koste ging van de homeopathisch-filosofische beginselen, èn vervolgens van de kwaliteit van de homeopathische behandeling.

Daarnaast richtten de technische vooruitgang en de opkomst van de farmaceutische industrie (met antibiotica en andere medikatie) de aandacht éénzijdig naar de ontwikkelingen in de reguliere geneeskunde. Zo werd de konventionele geneeskunde in de Westerse wereld het dominante standaardmodel, en ging de homeopathie ondergronds.

Dat is jammer, want op deze manier worden veel klachten ogenschijnlijk verholpen, maar de diepe oorzaak van ziekten wordt niet aangepakt. Het immuunsysteem van de Westerse bevolking wordt door sterke chemische middelen die de eigen afweer onderdrukken en herhaald inenten steeds meer gesloopt.
 

Organon, zesde editie

Maar er is meer aan de hand. Hahnemann heeft gedurende zijn leven de homeopathie steeds verder ontwikkeld, wat steeds weer in een volgende editie van het Organon resulteerde. In 1829 verscheen de vierde editie van het Organon, voorafgegaan door de eerste uitgave van De Chronische Ziekten, waarin de ziekteklassifikatie en de miasmaleer praktisch werden uitgewerkt. Met De Chronische Ziekten is door de toenmalige (en huidige) homeopathische wereld niet veel gedaan, hoewel beide werken duidelijk aanvullend ten opzichte van elkaar zijn en in samenhang met elkaar bestudeerd dienen te worden. De laatste veertien jaar van zijn leven heeft Hahnemann het systeem nog verder vervolmaakt.

 

Met name de zesde editie van het Organon geeft een volledige herziening van veel aspekten van de homeopathie, in het bijzonder met betrekking tot het gebruik van de potenties en diepgaande behandeling van ziekten. In de zesde editie spreekt Hahnemann uitsluitend over het gebruik van LM-potenties. Verder komen onderwerpen als ziekteklassifikatie en het gebruik van komplementaire geneesmiddelen hier aan bod. Juist deze ontwikkeling in de laatste jaren van zijn leven was essentieel om met name de ziekte-aanleg en chronische ziekten daadwerkelijk te kunnen genezen.

 

Doordat de erven van Hahnemann de publikatie van de zesde editie van het Organon na Hahnemanns dood in 1843 nog 80 (!) jaar tegenhielden, is de leer van bovengenoemde “Amerikaanse” school gebaseerd op de vierde editie van het Organon, zonder dat hierbij aandacht besteed werd aan De Chronische Ziekten. In deze vierde editie spreekt Hahnemann nog over het éénmalig toedienen van een geneesmiddel in een hoge centesimale potentie (het ultieme similimum). Ook nu nog leiden de meeste homeopathische opleidingen in Nederland “Kentiaans” (= volgens de Amerikaanse school) op, met als gevolg dat veel homeopaten de belangrijke latere ontwikkelingen, zo Hahnemann die schetst in De Chronische Ziekten en de zesde editie van het Organon, niet meegekregen hebben.

   

 

Om te voorkomen dat de situatie van rond 1900 zich herhaalt is het belangrijk dat homeopathische opleidingen en ook individuele homeopaten voldoende aandacht (blijven) geven aan de filosofische ondergrond van de homeopathische geneeskunst. Ewald Stöteler heeft de filosofische onderbouwing van de homeopathie weer de nadruk gegeven die het verdient. Met name de laatste editie van het Organon en De Chronische Ziekten van Hahnemann zijn door hem uitgebreid bestudeerd en worden weer in de wereld gebracht door middel van vele nascholingskursussen en zijn boek “Hahnemann Begrijpen”.

 

Dankzij hem hebben ook Paracelsus en Wilhelm Schüßler weer een duidelijke plek gekregen in de homeopathische behandeling en daardoor het werk van James Compton Burnett en Johann Gottfried Rademacher. Deze twee laatsten hebben de werken van Paracelsus intensief bestudeerd en met name Burnett heeft de inzichten van Paracelsus geïntegreerd in het homeopathisch behandelplan, waardoor de orgaangerichte geneesmiddelen hier weer opnieuw in beeld komen.