“Thinking, not shrinking” uit Ode 15, door Jurriaan Kamp

  

Allways look at the bright side of life. Er blijkt wijsheid te schuilen in deze mooie deun van de Britse humoristen van Monthy Python. Depressie is misschien wel welvaartsziekte nummer één. Het heersende antwoord is nog steeds van Freud - analyse, therapie door een psycholoog of psychiater - ofschoon de anti-depressiepil in opmars is. De therapieweg gaat ervan uit dat er een gelukzalige toestand is die elke mens kan bereiken mits hij voldoende inzicht in zichzelf verwerft. Die weg blijkt vaak eindeloos, meent de Duitse filosoof Gerd Achenbach en daarom begon hij in 1981 een filosofische praktijk om tegenwicht te bieden aan de overspannen aandacht voor het eigen ik. Dat voorbeeld heeft inmiddels wereldwijd navolging gevonden. Thinking, not shrinking, heet het treffend in de engelstalige wereld.

  

De tegenstelling is interessant. De psycholoog zet de schijnwerper op een menselijke tekortkoming, maakt een probleem zichtbaar, groot, in een poging het op te lossen. De filosoof plaats hetzelfde vraagstuk in de kontekst van het menselijk leven, hij relativeert en maakt een probleem juist kleiner. 
  

Achenbach zegt in Filosofie Magazine (oktober 1996): “Ik wil mensen weerbaar maken tegen de tijdgeest. Dat geeft vrijheid.” Achenbach meent dat de overdreven aandacht voor het persoonlijk welbevinden ervoor zorgt dat mensen in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Met een eenvoudig ongemak gaan mensen naar de psycholoog; deze wil het bestaan van zijn kliënt verlichten maar kan dat maar op één manier: door eerst hun ongeluk, hun gemankeerd zijn, te onderstrepen. Het gepsychologiseer legt daarmee de nadruk op datgene wat het wil wegwerken: het ongeluk van de mens. “Wie begint met het analyseren van zijn eigen zieleroerselen, kan zeer veel problemen ontdekken. En daar kun je je dan tot in het oneindige mee blijven bezighouden.” Volgens Achenbach heeft het overgrote deel van de eigen problemen betrekking op levensvoering en levensinschattingsvragen: “En die horen thuis in de filosofie.”

  

“Ik streef er niet naar om mensen weer "normaal" te maken door ze te bevrijden van hun psychische last. Het gaat mij om het blootleggen van de mogelijkheden. Ik zoek de voorwaarden waaronder mensen verder kunnen. Daarmee sluit ik aan bij de traditie van Socrates. Wat is er nodig om verder te komen? En wat moet ik worden? Bij mij is de vraag dus niet: hoe bereik ik de gelukzalige toestand die normaal zou moeten zijn? Maar: wat heb ik nu nodig om een stapje vooruit te doen?” En Achenbach besluit zijn interview in Filosofie Magazine: “Je moet je eigen leven niet met een vergrootglas bestuderen maar het juist in een breder perspektief plaatsen. Dat geeft je een betere kijk op de wereld en dat geeft vrijheid. "De waarheid zal ons vrijmaken", zegt de Bijbel. Ik ben niet religieus, maar ik denk dat dat een waardevolle uitspraak is: vrijheid en filosofie hebben met elkaar van doen.”

  

Het is niet zo vreemd dat juist het moderne leven met al zijn welvaart ook veel depressies met zich meebrengt. Veel mensen raken verstrikt in de vele keuzes die zij voortdurend kunnen maken. Wie in de vorige eeuw op een boerderij werd geboren, hoefde niet na te denken over zijn toekomst; die was met zijn geboorte bepaald. In Utne Reader (januari/februari 1997) beschrijft een journaliste met een uitgebreide “shrink”-ervaring haar eerste ontmoeting met een filosoof. De filosoof hoort haar levensverhaal aan en werpt vervolgens terug: “Je hebt geen keuze anders dan een keuze maken. Niemand kan richting geven aan jouw leven om de eenvoudige reden dat je àlles zou kunnen doen. Dus je moet je eigen leven maken. En dat is best een last.” Juist, denkt de journaliste, dat heb ik nu nooit zo kunnen zeggen behalve dan het therapeutische cliché: “ik moet mijzelf vinden”. Zij konkludeert verder dat haar therapeuten haar altijd weerhielden van denken, van filosoferen want dat was te rationeel. De filosoof daarentegen moedigt denken aan. Denken is noodzakelijk. Ze wijst er ook op dat deze benadering niet altijd zal werken. Iemand die een geliefde verliest, zal weinig behoefte hebben aan een filosofische diskussie over de betekenis van de dood. Zo iemand wil huilen en schreeuwen. Maar dat denken van de filosoof mag, is misschien inderdaad wel een bevrijding.